Een verhaal

Luister, dan zal ik jullie een
geschiedenis vertellen uit m’n leven.
Het is een eigenaardig verhaal.
Het is dan ook nooit eerder
verteld, want ik wist nog niet
dat het waar was.
Maar het heeft mij altijd geboeid.

Het gebeurde toen ik nog heel klein was
in de achtertuin thuis, bij mijn vader.
Die tuin, groot was hij niet, was zijn
oogappel.
Het bestond uit wat gras, omgeven
door een strook grond en een heining.
Naast bloemen en struiken stond er
ook een boom in de tuin, terwijl
de buren eveneens een boom in de
tuin hadden staan.
Zij hadden een peren- terwijl wij
een appelboom hadden.

Het verhaal dat nu volgt gaat over
een belangrijk deel van mijn leven.
Of over jullie leven?
Het gaat over onze tuin.
Of over die van de buren?
Of die van jullie?
Over onze boom of over de hunne?
Of de jouwe?
Het grappige van die twee bomen
was wel dat de takken reikten
tot in de tuin van de ander.
Zó kon ik, hangend aan een tak
van de ene tuin in de andere komen.
En weer terug.
Een belangrijk spel.

Maar ook konden wij in onze tuin eten
van de peren van de buren, terwijl zij
onze appels aten.
En de heining, die tussen de twee bomen
groeide werd zorgvuldig kortgehouden
door mijn vader.

Nooit heb ik geweten of de heining
de beide bomen zou verdringen als een
scheiding tussen twee werelden.
Zowel de appel- en de perenboom wisten
dat er slechts één wereld bestond:
De hunne!

Eens, toen er een duif van mij was
doodgegaan, wilde ik het in een oude
schoenendoos in de tuin begraven.

Ik vond een plaatsje tussen de twee
bomen en groef er een gat.
Nog steeds is er die verwondering als
ik eraan denk wat ik toen zag:

Niet alleen hoog boven scheiding en
verheven in de lucht, maar ook onder
onze aardkorst, onder onze schil, lagen
de wortels van de beide bomen
stevig in elkaar verankerd.

Ik zag het, niet omdat ik er naar
zocht, maar omdat het graven naar
een rustplaats mij zo moeilijk af ging.

De volgende scène komt mij voor de geest.
Eens, op een middag zat ik alleen
in de tuin. Ik kon het huis niet in;
de deur zat op slot en er was
niemand thuis.

Lange tijd droomde ik wat voor mij uit,
tot ik wakker schrok.

Toen begon mijn droom.

Ik besefte dat ik mijn oog steeds had
laten glijden van een appel aan de
appelboom naar een peer aan de
perenboom en weer terug.

Beiden waren ze even groot en ze
hingen nauwelijks op een meter afstand
van elkaar.
De wind speelde met de bladeren en
beide vruchten aan de takken rustig mee.

De zon kwam en ging, de radio zou
zeggen: “wisselend bewolkt” (of half bewolkt).

Als ik mijn ogen wat toekneep om
details beter te kunnen zien en ik dan in
de schemering luisterde naar het ruisen
en keek naar de wind,
loopt de fantasie mij ver vooruit.

Zo kon ik dan ook scherp waarnemen
hoe de appel en de peer verbonden
waren met elkaar.
In de lucht met hun takken; onder
de aarde met hun wortels en in de zon;
met hun glimlach.
Onbespoten fruit.

Maar als de zon dan even verdween
achter een wolk, zag ik hun verdriet.
Ze konden geen stap dichterbij elkaar komen.
Ze moesten tevreden zijn te weten
dat ze met elkaar verbonden zijn
aan beide uitersten.

Maar altijd op een afstand zullen blijven.

Wat ik daarna ook allemaal probeerde;
dat beeld veranderde niet.
Ten slotte heb ik een andere plaats
gezocht in de tuin, maar het hielp niets.

Oh ja, ik zag alles nu heel anders.
Het was nu net alsof de peer aan de tak
van de appelboom hing en de appel aan
een tak van de perenboom.

Maar direct schoof de zon achter een
wolk en het verdriet van de appel en de
peer was groter dan ooit.

Nooit had ik begrepen, dat ze verdriet
hadden om mij.

Hoe wreed kan de wereld toch zijn,
dacht ik.

De herfst naderde en toen kwam ik
op een geniaal idee, dacht ik.
Wanneer de appel en de peer zo
rijp zijn dat ze van de boom vallen,
zal ik ervoor zorgen dat ze gelukkig
bij elkaar zijn.

Vrolijk fluitend keerde ik hen de
rug toe en wandelde de keuken
binnen waar mijn moeder, inmiddels
thuisgekomen, thee stond te zetten.

Ik hoopte maar dat het allemaal niet zo lang
meer zou duren en vooral, dat zij beiden
tegelijk zouden vallen.
Dan hoefden ze niet zolang op elkaar te
wachten.

Toen ik, terwijl iedereen dacht dat ik sliep,
vanuit het dakraam de tuin inkeek, zag
ik twee bomen, die zich statig tegen de
sterrenhemel aftekenden.

Hun stammen doodstil zoals ze daar al
jaren doodstil naast elkaar hebben gestaan.
En ik zag hun takken, rusteloos in de wind
zoals gedachten, al vele jaren in beweging.
Appels en peren kon ik niet meer zien.

In de door sterren verlichte duisternis
spelen appels en peren geen enkele rol.
De stam en de takken zijn belangrijk.
De stilte, het ruisen en de beweging
bepalen het beeld.

De volgende ochtend volgde de klap.
De appel en de peer hadden hun
takken verlaten.
Moe van het wachten op mij, moe
van het lachen in de zon en het
verdriet in de schemering hadden zij
hun basis losgelaten.

Ze waren tot een te grote last
geworden van hen,
waarvan ze hadden geleefd.

Opgewonden ging ik zoeken, maar even snel
kwam de teleurstelling bij wat ik ontdekte.
De peer had ik al snel gevonden, maar de
appel was er niet.
Zij was in de tuin van de buren gevallen.
Nog steeds weet ik niet wat dat betekent.
De appel aan de boom hangend, zo
sterk verlangend naar de peer van de
perenboom.
Zó sterk dat de appel én de peer vlak
bij elkaar groeien om dan ten slotte in
elkaars tuin op de grond te vallen.

Gescheiden door de heining van mijn vader.

Even heb ik overwogen via de tak van de appelboom
in de tuin van de buren te springen om
daar de appel op te halen.
Toen begreep ik dat ik daar niet hoorde.

Ik ging daarom ons huis weer binnen en
het eerste dat ik zag in de huiskamer was
het dressoir.
Daarop stond een fruitschaal vol met appels
en peren.
De appels en peren plakten door ons gif
tegen elkaar.

Toen wist ik dat het goed was en dat ik
appels en peren met rust moet laten.

Die avond keek ik weer uit het dakraam.
De maan stond helder aan de hemel.
De wind fluisterde een lied.
Beide bomen stonden nog even fier
ten teken dat er ook morgen weer een
dag zal zijn.
Ook morgen zijn er weer appels en peren.
Ook morgen is er nog leven.

Later leerde ik op school dat je geen appels en
peren bij elkaar kunt optellen.

Ik wist het al.

Nog weer later kreeg ik verkering en
leerde ik dat de heining vaak, erg vaak
gesnoeid moet worden.

Ik wist het al.

Nog later trouwden we, maar sindsdien
leerden we, dat we slechts hingen
boven elkaars tuin.

Ik wist het al.

Maar wat ik vooral geleerd heb is dit:
Appels en peren zijn belangrijk, maar
nooit belangrijker dan de boom
waaraan zij groeiden.

Zij houden jou, de aarde en de boom
gezond.

Dit is mijn verhaal.
Het is voor jullie geschreven.

Je ziet maar wat je er mee doet.

Identificeer je zelf met de appel,
de peer, de tuin, met mij, de takken,
wortels, de zon, wind, de heining
of mijn vader.

Begrijp echter dat,
wanneer twee dingen
aan beide uitersten
met elkaar verbonden zijn
door de natuur,
daardoor de cirkel
rond is gemaakt

en geen mens meer in staat is
ook in het midden
deze beiden te verbinden.

Het kostte mij een duif
om dat te begrijpen.