Evaluatie november 1976

Wie kan mij zeggen
waar ik nog in geloven
moet
wanneer
1 ronde na AF
wel de 200 gulden wordt gevraagd
terwijl de kanskaarten aangeven
terug naar AF te gaan

o

Mijn ‘levensverzekering’
betaalt pas als ik dood ben.
en m’n beste ‘hypotheek’
breekt me op als ik in
nood ben.

o

De dag duurt nog
lang
want
de avond
is al gevallen.

o

En toch:
Als ik werkelijk eenzaam ben,

dan ben ik alleen,
zoals niemand mij zou wensen.
Zoals je toch eigenlijk
alleen bent als je die grote stap moet doen
Of als je ’s avonds in slaap valt.

o

Alleen is maar alleen
En toch ben ik dan rijk
De wereld is dan van steen
Maar geeft mij mijn eigen kijk.

Alleen is maar alleen
en toch ben ik dan rijk.
De ander is mijlen ver heen
maar geeft van wijsheid blijk.

o

In mijn lichaam
woon ik
In mijn huis leeft
jij en ik
In de straat daar
wonen mensen
andere kleur
ander geluk
elk een andere deur
andere sleur
geluk raakt stuk.
Ik heb ’t gezien en ga
weer terug met een tik
daar woon ik.

Achter alcohol leef ik
durf ik
toon ik
In ’t cafe daar praten
mensen
andere kleur
andere geur
Met m’n lichaam vol van drank
achter mij een wolk van stank
trek ik mij terug in mijn lichaam
met mijn tik
daar woon ik.

Met mijn humor in de hand
verberg ik
mijzelf en ik
Met m’n mening uit de krant
toets ik andere kleuren
andere geuren
kranten en deuren
een stroom van angst
verlamt mijn hart
zich open te breken.

o

Toen jij laatst bij mij
binnen kwam
zei je mij met veel
tam tam
Gezellige troep hier
hartstikke fijn.

o

Je kwam
je zag
je overwon

je krant
in je hand
en een grote
mond

je hebt het
je weet het
je krijgt het
niet.

o

Toen mijn waarheid
de jouwe tegenkwam
verstonden zij elkaar
niet
en gingen niet begrijpend heen
Ze waren zeker van hun eigen gelijk
En zo werd mijn waarheid en jouw waarheid
opnieuw
met een leugen uitgebreid.

Toen mijn eenzaamheid
jouw eenzaamheid tegenkwam,
ging er bij beiden een lichtje branden,
maar het licht maakte zoveel duisternis stuk
dat jouw eenzaamheid en mijn eenzaamheid
slechts groeiden
gelukkig.

Toen mijn leven en jouw
leven elkaar tegenkwamen
sprong er een vonk over
nu leven we samen
één leven
maar gaan
gelukkig
ons eigen dood

Toen mijn adem jouw
adem tegenkwam
besefte ik
dat velen door jouw
adem van de dood
konden worden gered;
maar tevens wist ik
dat ik
er niet van kon leven
Ademen zullen we zelf moeten doen.

o

Fantasties
Jouw lichaam is het
huis van jouw geest.
Mijn lichaam is de
gevangenis van de mijne.

De rijkdom van het huis
van jouw geest
is de rijkdom van mijn geest.
De armoede van mijn huis
is de armoede van mijn geest.
Mijn geest gelooft daarin en leeft
daaruit in mijn lichaam.

o

Mijn vriend is
hij die de kier van
mijn deur kan openen
de scharnieren laat
piepen
Na binnenkomst de
deur weer op de kier zet
en het laat tochten.
Want alleen tocht
is een echt frisse wind.
en alleen hij die binnenkomt
zonder de tocht uit
te sluiten.
is mijn vriend van buiten.

o